Nieuw werk

 

 

lijnen

 

lijnen zonder begin

en zonder einde

op onverwachte plaatsen

dringt het magma

door het oppervlak

naar boven

 

spreekuur van 8-9

werkten we 7 dagen in de week

24 uur per dag

we waren jong

en konden veel verdragen

 

voordat we begrepen

hoe onze wortels groeiden

als obstakels in ons pad

waren we volwassen

en ontstonden uitbarstingen

op onverdachte plekken

plotselinge erupties

die ons terugsloegen

en verwondden

 

we vervreemdden ons

van onze oorsprong

en steeds verder

van elkaar

 

alleen

achteraf zie ik

de lijnen in de tijd

lijnen die niet voorwaarts

te voorspellen waren

maar explodeerden

op momenten

dat we kwetsbaar waren

 

het einde vond ik terug

 in het begin

 

 

 

 

 

timbouctou

 

verhalen doen de ronde

waarvan nooit duidelijk zal worden

waar droom en werkelijkheid

elkaar omarmden

vond zijn diep verlangen

oorsprong in een koortsaanval

 

was het toeval

dat hij na een afmattende tocht

haar ontmoette

in een kleine tent

 

ze glimlachte

 met de brede mond

van een samenzweerder

die geen kwaad wil doen

maar vastberaden is

zwijgend gaf ze hem

te eten en te drinken

 

zo herinnerde hij vaag

haar aanwezigheid in het duister

als een droom

die hij niet kon scheiden

van wat er was geschied

 

toen hij ontwaakte

tussen de klamme lakens

was ze vertrokken

tussen de reizigers uit de woestijn

 

op doorreis aangekomen

in timbouctou

de koorts gezakt

maar het verlangen

sterker dan de werkelijkheid

 zwierf hij dagen door de stad

op zoek naar nieuwe dromen


 

 

 

 

 

ter hoogte van de azoren…..

 

 

de wereld om me heen

in panorama ingelijst

sla ik de beelden op

onsterfelijk

ver weg van wat

me bezighoudt

  te overleven

terwijl de neergang

achter de horizon

reeds waargenomen wordt

 

naast de casa de repousa

loopt een pad naar boven

vanwaar we uitzicht

hebben op de verlaten haven

en op het uitstel van de

ondergaande zon

 

de laatste veerboot

is vanmorgen vroeg vertrokken

een enkele zeilboot

in de luwte

van het eiland in de verte

de top van de vulkaan

heeft rust gezocht  

in een kussen

van circulaire wolken

lees ik cees noteboom

over de vossen in de nacht

 

elke vlucht naar voren

wordt

afgesneden door de rotsen

aan het einde

van het pad

worden de wijzers van de klok

beneden stilgezet

 

achter het gouden spoor

van de zon die in de einder ondergaat

ontstaat opnieuw een depressie

mijn treurigheid komt terug

als een vos in het donker

 

 

 

 

 

 

eindstation Almelo de Riet

 

 

de oude man

in slaap gevallen

op het balkon

van de pasgebouwde aanleunflat

elke dag als de zon schijnt

 

de buurvrouw een kopje koffie

nadat ze met een vaatdoek

de balustrade

heeft schoongepoetst

iedere dag opnieuw

als de zon schijnt

 

de buurman een blokje om

achter zijn rollator

maakt een praatje

op ongelijke hoogte

de vrouw zet haar kopje

op de witte hartmantafel

een wolk verbergt de zon

 

in het pas gemaaide gras

van het sterfhuis

hippen meer dan vijftig mussen

maar een kwikstaart

is de baas

 

op de speelplaats

schommelt een kind

 

in het grasveld

liggen opgedroogde tranen

 treurig en verlaten in de schaduw

 

in de verte

het geluid van een trein

die  de bocht neemt

naar Almelo de Riet

 

 

 

 

 

 

 euridice samen

 

naast de verzakte hut

op de weg naar kemijärvi

wacht ik op de auto

die me mee gaat nemen

naar het zuiden

 

ze wil dat

ik haar zal beminnen

wentelen in haar lichaam

penetrant geurend naar teerolie

en onvoorwaardelijk open

 

haar volle borsten

blauw dooraderd

ben ik vertrokken

bang

voor het onvermijdelijk

 verlies van maagdelijkheid

 

ze legt de stenen recht

harkt de aarde aan

en

nog voor ik het zaad verstrooi

 verdwijnt ze in de koude grond

 

het naaldbos dat geveld gaat worden

onttrekt de wind ruisend

in een nu nog aangename luwte

straks

zal in een kom van losgeslagen zand

opwaaiend stof

mijn lippen striemen

 

grote dennenappels

vormen dijken 

aan de randen van het mos

maak ik een waterkering

om verlies

een plek te geven

ik hoor haar fluisteren

in de verte

als een waterloop

verborgen  

onder struikgewas  

 

zonder bagage

reis ik verder

naar het zuiden

over de geschaafde  weg

tussen de bossen

eindeloos

de verlichte nacht

uit het noordelijk samenland

heb ik me zonder om te zien

al van haar afgewend

 

mijn zaad

nog zonder eigen mening

doet geen poging meer

om uit te lopen

in de avondzon

 

 

 

 

 

 

in mijn droom

beweeg ik mee 

naar verschuivende verten

van de meanderende stroom

 

mee drijvend

verras ik de oevers

van het voorbij vliedende land

 

tot ik wakker word

tussen de beschoeiing

van het stilstaand water

in de stad

 

 

 

 

weerszijden

 

het smalle water slingerend

door het drasse land

lopen ooievaars

aan weerszijden

en vervloeien wandelaars

in de woudzoom aan de einder

 

de snelweg in de verte

neuriet het decor

voor de stilte van deze plek

ik zie een ijsvogel op een tak

en twee jonge reeën

springen in het hoge gras

 

een wijl sta ik stil

aan de kant bij het water

en bedenk hoe

aan weerszijden

het land deze beek

omarmd heeft in de tijd

die verder

stroomt naar later

 

ik vlij me als het licht

begint te komen

de vroege vogels

elkaar begroeten

naar mijn lief

ik voel hoe onze grenzen

elkaar omarmen

zoals het smalle water

in het nevelige land

 

zo ook glijdt

onze nacht voorbij