de taal van dingen die komen en gaan

 

slechts enkele woorden

vormen taal

het gaat om het verhaal

van dingen

die in ons bestaan

voorbij gaan

niet tastbaar

maar aanwezig

alles met een eigen taal

gaat het om de taal der dingen

reeds gebeurd

of te verwachten

dingen in de tijd

waarover wordt gesproken

en  gezwegen

op een lange reis

door de woestijn

waar de kleuren van het landschap

achtervolgd door onze eigen schaduw

nooit hetzelfde zijn

het zijn de dingen die voorbij gaan

als reizigers die zich als 

 een pandemie verspreiden

ieder met een eigen taal

en een verwachting van de dingen

 die te gebeuren staan 


 

 

 

 

 

 

Teheran bij nacht

 

 

zonder woorden

is na middernacht

de stad verlaten

straatvegers,  een enkele taxi

politie auto’s

op de hoeken van de brede straten

waar verkeerslichten

onheilspellend de stilte

verstoren in rood en groen

 

in ons hotel duidt

een pijl aan het plafond

de weg naar Mekka

het is de taal van Teheran bij nacht

 

 

 

 

 

 

 

 

Teheran in de namiddag

 

 

in de namiddag

drinken we koffie

op een terras

grauwgrijze roeken

wachten op het restafval

dat  toeristen  achterlaten

ongeduldig krassend

maar volhardend

 

aan de overkant

lopen zes agenten in grijze pakken

er wordt een man  gearresteerd

en weg gevoerd van deze buurt

misschien een dief, misschien een ander

de roeken wachten  onverstoord

tot ook wij vertrekken

ik kijk nog eens om

het krassen schuurt

 

 

 

 

 

 

 

de taal van een zijderoute

 

de route is lang

en steeds rechtdoor

 het landschap

droog en desolaat

de zon meedogenloos

zie ik de

contouren van de bergen

in de verte

trillen in de zon

over de breed geasfalteerde weg

rijden

zwaar beladen trucks

ons tegemoet

waar  eertijds de cadans

van kamelen monotoon

de stilte brak

stoort nu het continu geronk 

van de motoren

de verlatenheid

in een nevel van zwarte rook

en stank van goedkope diesel

we volgen

de onderaardse waterlopen

van caravanserai naar caravanserai

we vinden taal noch teken

en ik zie

 de gehele reis slechts één kameel

maar in het midden van het nergens

staat een politieauto en

wordt onze snelheid vastgelegd

wanneer we de pistache velden passeren

komen we in de wereld terug

ik stel vast

dat de taal der dingen

in dit onbegrensde land veranderd is

het wordt tijd voorkoffie

en een goed gesprek

met mijn reisgenoten

 

 

 

 

 

de taal van de Kalut

 

de verweerde rotsen

  gestriemd door

de wind van de woestijn

gebarsten door de hitte van de zon

en door de vrieskou van de nacht

zijn  gemarkeerd

in het rulle zand

als totempalen

uit een ver verleden

stom en uitgesproken

de oase is

een eiland van groene schaduw

in een zee van droogte

eeuwenoude cipressen

wijzen als uitroeptekens

met hun vingers

in de lucht  

de koelte wordt gevoed door  

onderaardse watergangen 

lang geleden

door mensen aangelegd

een kudde schapen

verdwijnt in de kleuren

van het landschap

ik zie

een herder met een I-phone

de verbinding maken

met het heden

wij reizen verder naar het zuiden

en spreken over al het wonderlijke

dat we tegenkwamen onderweg

 

 

 

 

 

 

 

 

Yazd cepas

 

tegenover het kantoor

waar we ons geld

wisselen tegen een

gunstige koers

vinden we de tempel

met het eeuwig brandend vuur

het goede denken

   de goede woorden

de goede dingen

aldus sprak Zarathustra

in de koelte van de windtoren

voel ik nederigheid

ik begrijp en

 neig mijn hoofd naar voren

cepas

 


 

 

 

 

 

 

 

de taal van de oude minaret

 

 

we beklommen het dak

van de vrijdag moskee

om de oude minaret en het verleden

van dichtbij  te aanschouwen

 

we werden nieuwsgierig  bekeken

door de vogelhandelaren

beneden

 

vriendelijke mannen

nog niet bekend

met de taal van de toerist

ze willen met ons op de foto

 

ook hier zal

alles anders worden

wanneer de taal van het verleden

in het heden oplost

 

 

 

 

 

 

 

 

 

van mij

 

het strand bij bulbjergh

na bijna vijftig jaar

de tijd heeft stil gestaan

neen, hier is geen tijd

alleen de skarreklit

waarvan de kokkels ooit

mijn  borst en benen bloedend

open haalden

is van  zijn voet gevallen

nog steeds

broeden de meeuwen

in storm en regen

tegen de striemende rotsen

de keien aan de vloedlijn

gepolijst door eeuwen

kanteling in het water

zijn merktekens

van de tijd die niet bestaat

ik groet de eenzame stenenzoeker

in han herred dialect

omdat ik alle vreemde invloed

van het strand wil bannen

het is van mij dit strand

de zee, het zand

van niemand anders

vertrek ik alleen

om terug te komen

totdat de tijd

zich ook van mij vervreemdt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 euridice saami

 

naast de verzakte hut

op de weg naar kemijärvi

wacht ik op de auto

die me mee gaat nemen

naar het zuiden

 

ze wil dat

ik haar zal beminnen

wentelen in haar lichaam

penetrant geurend naar teerolie

en onvoorwaardelijk open

 

haar volle borsten

blauw dooraderd

ben ik vertrokken

bang

voor het onvermijdelijk

 verlies van maagdelijkheid

 

ze legt de stenen recht

harkt de aarde aan

en

nog voor ik het zaad verstrooi

 verdwijnt ze in de koude grond

 

het naaldbos dat geveld gaat worden

onttrekt de wind ruisend

in een nu nog aangename luwte

straks

zal in een kom van losgeslagen zand

opwaaiend stof

mijn lippen striemen

 

grote dennenappels

vormen dijken 

aan de randen van het mos

maak ik een waterkering

om verlies

een plek te geven

 

ik hoor haar fluisteren

in de verte

als een waterloop

verborgen  

onder struikgewas  

 

zonder bagage

reis ik verder

naar het zuiden

over de geschaafde  weg

tussen de bossen

eindeloos

 

de verlichte nacht

uit het noordelijk saami-land

heb ik me zonder om te zien

al van haar afgewend

 

mijn zaad

nog zonder eigen mening

doet geen poging meer

om uit te lopen

in de avondzon